Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 19 september 2017

Culturele tegenbeweging

Er circuleert een filmpje van president Trump bij een of andere bijeenkomst van militairen. Hij wordt aangekondigd door zijn echtgenote Melania, komt vanaf de zijkant aanlopen, schudt haar de hand (?) en duwt haar vervolgens resoluut met zijn hand richting de coulissen, hoorbaar fluisterend: 'You can sit down'. Geen stimulerend, maar een denigrerend duwtje in de rug. Het lijkt een metafoor voor Boris Johnson die een soort patriottisch essay heeft geschreven in de Daily Telegraph, waarin hij de zegeningen van een brexit nog eens opsomt — daarmee Theresa May opzij duwend, kort voordat zij een belangrijke rede moet houden in Florence. Johnson’s betoog is zwak, zijn sporadische becijferingen zijn twijfelachtig. Maar de portée van zijn verhaal, het patriottisme, speelt in op de grootste succesfactor voor populisten: ongenoegen over de sterk veranderde maatschappij. In een uitgebreid onderzoek uit 2016 naar populistische bewegingen in West-Europa stelden twee Harvard-onderzoekers vast dat de belangrijkste reden voor de opkomst van populisme niet de economische bestaansonzekerheid is, maar de sociaal-culturele bedreiging die mensen voelen. De onderzoekers, Ronald Inglehart en Pippa Norris, definiëren dat als 'cultural backlash': de culturele tegenbeweging, die zich afzet tegen het maatschappelijke veranderingsproces van de afgelopen decennia. In de vooruitstrevende naoorlogse West-Europese samenlevingen is er, aldus Ingleheart en Norris, sprake geweest van een omslagpunt, waarna grote cohorten van de bevolking niet langer meekonden met veranderingen in bevolkingssamenstelling, inrichting van de maatschappij, maar ook transformatie in waarden en normen. Zij haakten volledig af en wendden zich tot politieke richtingen die niet anders deden dan pleiten voor terugkeer naar een of ander 'vroeger'. Het bevestigt de constatering in ander onderzoek dat veel mensen al jarenlang structureel niet meedoen in de West-Europese samenleving. Of het nu gaat om zorg, onderwijs, wonen, werk, digitalisering en dus ook cultuurverandering. Alle goede voornemens over de participatiemaatschappij ten spijt heeft het nu demissionaire kabinet die tendens in Nederland niet kunnen keren. Daar zijn goede redenen voor aan te voeren, van crisisbestrijding tot aanpak van zorgkosten, maar het is daarom des te meer een taak van de overheid voor de komende jaren. Het is dringend nodig om grote groepen mensen opnieuw bij de samenleving te betrekken, zodat we ons democratische stelsel weer kunnen inzetten voor werkelijke issues in plaats van irreële nostalgie. Ik put hoop uit het feit dat premier Rutte op de verkiezingsavond in maart zei dat de komende jaren vooral de mensen die de afgelopen jaren niet profiteerden van het overheidsbeleid aandacht moeten krijgen. Dat toont betrokkenheid en werkt verbindend, totaal anders dan het 'you can sit down' van de populist.