Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Kroonlid van de Sociaal Economische Raad, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 23 mei 2017

New Troubles

Heeft iemand nog onlangs iets over Noord-Ierland gehoord? Vroeger waren er de Troubles, een typisch Engels understatement voor de burgeroorlog tussen protestantse Unionisten en katholieke Republikeinen. Een langdurige smerige oorlog: pas na dertig jaar werd in 1998 tijdens de paasdagen een vredesakkoord gesloten. Bijna symbolisch: de grootste Ierse opstand, de Easter Rising, vond in 1916 tijdens dezelfde heilige dagen plaats. Allemaal historie. Begin 2016 bezocht ik met een journalist van deze krant Belfast. We gingen kijken hoe inmiddels een grote bedrijvigheid was ontstaan, vooral in digitale dienstverlening. Ik had me vooral verheugd op de ‘Where Van Morrison Lived Tour’ door de stad. Maar Belfast bleek inmiddels zo geïnternationaliseerd dat de Finse receptioniste in ons hotel nog nooit van de Ierse bard gehoord had. Wij waren niettemin onder de indruk van Belfast, een prachtig opgeknapte, lommerrijke en vooral bedrijvige stad. Noord-Ierland is dan ook één van de meest succesvolle proeftuinen van de EU gebleken. Met flinke, continue geldstromen uit Brussel ging Belfast van kapotgeschoten kaalslag naar economische eenheidsbloei. Veel buitenlandse bedrijven vestigden er hun Europese hoofdkantoren, of tenminste belangrijke Europese vestigingen, zoals rekencentra of IT-kantoren. De streek om Belfast heen werd zo ook geleidelijk welvarend, het leven normaliseerde en de grens met de Ierse republiek vervaagde. Het is niet duidelijk wat er gaat gebeuren als de brexit zijn beslag krijgt. De premier van het Verenigd Koninkrijk, Theresa May, heeft zich tot nu toe beperkt tot de gemeenplaats dat de grens tussen Ierland en Noord-Ierland niet meer zo hard wordt als vroeger, maar zoals met alles rondom de uitvoering van brexit heeft ze nog geen enkel serieus plan gepresenteerd. Noord-Ierse beleidsmakers vrezen ondertussen dat de grens weer een harde zal gaan worden: vanuit het zuiden bestaat weinig belangstelling in samenwerking met een binnen de muren van het VK teruggetrokken Noord-Ierland. Begrijpelijk, de Ierse Republiek behoudt zelf haar voordelige EU-positie, en raakt wanneer Noord-Ierland straks uit de EU gaat, een concurrent op het gebied van vestigingsbeleid kwijt. Het is vrijwel zeker dat Noord-Ierland, wanneer het als onderdeel van het VK de EU moet verlaten, veel bedrijvigheid zal gaan verliezen en dat werkgelegenheid en welvaart onder druk zullen komen te staan. Maar de grootste onzekerheid blijft of het land onder die omstandigheden de vrede kan bewaren. Dat een kleine Noord-Ierse meerderheid ‘bremain’ steunde, maar juist veel Unionisten in Noord-Ierland vóór brexit stemden, doet het ergste vrezen. Gaat ons dat wat aan? Ja, want het is zonde dat de grote investeringen die de EU in Noord-Ierland heeft gedaan zó het afvoerputje in verdwijnen. Misschien reden om extra schadevergoeding te vragen in de exit-onderhandelingen?
Gepost op 16 mei 2017

Internet-gijzeling

Albert Einstein zei de dag te vrezen dat de technologie onze menselijke interactie opzij zou zetten. Inmiddels is het zo ver. In cafés, op feestjes, bij de koffie en op het strand: iedereen kijkt op zijn telefoon. Zelfs op de tribune filmen we het eerste doelpunt van Dirk Kuyt in plaats van zelf te kijken; het filmpje wordt onze ervaring die we onmiddellijk op sociale media zetten. Het internet wordt zo de nieuwe werkelijkheid. Dat is jammer, want zo’n digitale gijzelactie als afgelopen weekeinde plaatsvond met 'ransom software', levert veel minder folklore op. Geen enge mannen met bivakmutsen, geen gebutst busje als vluchtwagen. Maar het is potentieel ook veel gevaarlijker. Want nu worden er digitaal nog geen gijzelaars vermoord, maar dat is een kwestie van tijd: bij een volgende ronde van gijzel-software zouden de boeven kunnen dreigen om ziekenhuizen, of anders bijvoorbeeld de watervoorziening, zo te ontregelen dat er echt doden gaan vallen. Zo wordt de ongehinderde opmars van digitale technologie een bedreiging voor het bestaan. Overdreven? Een andere kwestie dan. Op Twitter ontstond donderdag veel commotie over een foto die liet zien dat een Noors reclamebureau in pizza-advertentieborden gebruik maakt van verborgen camera’s, die software bevatten waarmee precies geregistreerd wordt wie er naar de advertentie kijkt, en wat hij of zij daar voor reactie bij heeft. De software selecteert op geslacht en leeftijd, zo liet de foto zien. Nog even en het gaat ook naar huidskleur, seksuele gerichtheid en etnische afkomst. Op internet zelf is een keur aan bedrijven aanwezig die programma’s aanbieden die op verborgen wijze gezichten en gezichtsuitdrukkingen analyseren en kunnen zeggen welke doelgroep je moet hebben. Dat is fijn zeg! Kun je straks kijken of joden en homo’s potentiële klanten zijn voor je producten. Is het schaamteloosheid, of is men zo naïef te denken dat dit soort producten niet akelig misbruikt kunnen worden? Het zou zo mooi kunnen zijn: digitale vooruitgang kan ons veel verder brengen bij het begrijpen van onszelf, elkaar, andere volkeren, zelfs de hele planeet. Maar dat vereist dringend een regelend kader, toegespitst op diezelfde digitale technologie. De discussie over het — terechte — protest van een groot aantal vrouwelijke publicisten tegen GeenStijl strandde helaas te snel, terwijl het er ook bij dat soort kwesties om gaat dat voor alle digitale technologie en uitingsvormen dezelfde regels en normen zouden moeten gelden als in de werkelijke werkelijkheid. Dus ook kartelrecht, strafrecht, privacyrecht et cetera, maar dan gericht op de digitale wereld. Anders wordt het sombere visioen van Einstein nog een stap verder gebracht. En worden we straks niet meer door boeven maar door het internet zelf gegijzeld.
Gepost op 09 mei 2017

Je doel bereiken

Hoe graag wil je je doel bereiken? Die vraag moet elke speler van Feyenoord zich de komende dagen bij het ontwaken als eerste stellen. Het debacle van zondag bij Excelsior kwam niet door droog kunstgras of een belaagde spelersbus. Het was gebrek aan pure determinatie: bepaling van het eigen lot. Sigmund Freud zei: het verlies van iets correspondeert vaak met de geringe betekenis die we er aan hechten. Anders gezegd, volgens zijn tijdgenoot Abraham Brill: zaken waar je veel waarde aan hecht verlies je niet. Kijk naar de keuze van de Franse kiezers. Dat de Fransen uiteindelijk met een behoorlijke meerderheid voor Macron hebben gestemd, geeft aan dat ze het vizier op de wereld en dus ook de EU niet willen verliezen — en dat ondanks het feit dat het begrip chauvinisme zijn oorsprong heeft in de Franse taal. Maar dat Macron met een totaal nieuwe politieke beweging een overwinning kon behalen was allereerst te danken aan het feit dat de gevestigde partijen het er eigenlijk nog voor de eerste ronde al bij lieten zitten, met kandidaten die bij voorkeur de eerste rang aan Macron lieten. Macron kreeg zo een vrije doortocht naar de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, waar de overwinning hem nauwelijks kon ontgaan. Wat ook hielp was dat de campagne van de uiteindelijke winnaar een positieve boodschap had over de toekomst van Frankrijk binnen de wereld. 'Oui nous pouvons' is mooi, maar is hooguit het begin. Ontegenzeggelijk worden de Franse tegenstellingen tussen stad en regio steeds schrijnender, nu negentig procent van de Parijzenaars op Macron heeft gestemd. Het gaat er nu om dat Macron in het vervolg van zijn overwinning de observatie van Brill over zaken waar je waarde aan hecht vooral op de Franse achterstandsgebieden en arme steden projecteert. Want hoe verder van Parijs of andere grote welvarende steden af, hoe meer werkloosheid, des te slechtere woonvoorzieningen, en meer armoede. Globalisering levert veel welvaart op, maar de crux zit in de eerlijke verdeling ervan, en in een gelijke distributie van kansen. Na de Nederlandse verkiezingsuitslag biedt de uitkomst van de Franse presidentsverkiezingen nu ook het perspectief om daar wat aan te doen. Het zal moeilijk zijn om de oude, nu zwaar gehavende politieke partijen daarin mee te krijgen. Daarvoor moet die gevestigde orde bereid zijn om een eind te maken aan cliëntelisme en andere zaken die het de afgelopen decennia vooral in het Franse achterland zo moeilijk maakten om tot doeltreffende sociaaleconomische hervormingen te komen, waarvan iedereen zou profiteren. Doelgerichtheid tot het uiterste. Net als de Feyenoorders. En nu maar hopen dat de bal niet al te rond is.
Gepost op 02 mei 2017

Echte banen, echt werk

Deze eerste mei ging de Dag van de Arbeid over echte banen. Echt werk. Bij mij duurde het een tijdje voordat ik door had wat echt werk was. Omdat mijn vriendinnetje, later mijn vrouw, zei: 'Volgens mij ben jij wel een advocaat', dacht ik: laat ik dat eens proberen. Op de zondagavond na mijn eerste werkweek zat ik voldaan op de tweedehands bank toen door mij heen flitste: dit is dus mijn verdere leven, echt werken. Het werd een harde leerschool. Wij, de advocaat-stagiaires, moesten de rotklusjes op de rechtbank doen. Zo werd mijn eerste confrontatie in toga met de rechter een zogenaamde buigcomparitie in een echtscheidingszaak: de man en de vrouw moesten, vergezeld door hun advocaat, voor de rechter verschijnen om vast te stellen of ze echt wel wilden scheiden. Anno 1984 een overbodig toneelstukje. Toegegeven, het hield mij van de straat. Ik moet er wel eens aan denken wanneer ik tegenwoordig in een ontslagzaak de werkgever vraag of hij grondig heeft onderzocht of er nog ander passend werk was voor deze disfunctionerende werknemer, of liever: in deze disfunctionele arbeidsverhouding. Want als we onverhoopt bij de rechter terechtkomen, moet die volgens de nieuwe wet Werk en Zekerheid (WWZ) eerst controleren of een poging is gedaan de werknemer bij de werkgever een andere passende functie te geven. Zo niet, dan mag hij geen ontslag toestaan. 'Huh?', zegt de werkgever. 'Moet ik deze wanpresteerder dan aan een andere afdeling van het bedrijf opdringen?' Of moet je iemand met wie geen vertrouwensrelatie meer bestaat, ongeacht wiens schuld dat is, een verlengd verblijf aandoen in een onderneming waarbinnen menigeen weet dat hij of zij — verdiend of niet — een kruisje achter zijn naam heeft staan? Het is een verplichting die elke mkb-werkgever tot wanhoop brengt, maar de werknemer in kwestie ook weinig reëel perspectief biedt. Kortom, het soort wettelijke regeling waarvan de bedenker de overtuiging had: het recht bepaalt de samenleving, en niet omgekeerd. De buigcomparitie is allang afgeschaft in het familierecht. Daar heeft de wetgever ingezien dat je mensen niet verplicht bij elkaar moet houden als er geen bezieling meer is. Het is vreemd en anachronistisch in een tijd van burgeremancipatie dat dit ritueel nu in een ietwat andere vorm lijkt te zijn opgedoken in het arbeidsrecht. De WWZ is op wel meer punten doorgeschoten: het ging kennelijk om het creëren van wetgeving, en niet van werk. Het is goed dat sociale partners met elkaar in gesprek zijn over verbeteringen en het invullen van ontbrekende zaken zoals de loondoorbetaling tijdens ziekte. Mits ze echte veranderingen voorstellen in het akkoord dat ze de formateur willen aanbieden — en het geen buigcomparitie wordt.
Gepost op 24 april 2017

Kansen voor Frankrijk

Over kansen kun je niet genoeg nadenken. Soms is de tijd er niet voor. Zo slaagde de vader van mijn voetbalaanvoerder er in de Tweede Wereldoorlog in om joodse kinderen uit de Hollandsche Schouwburg te helpen ontsnappen, maar werd hij alsnog opgepakt tijdens wapensmokkel naar België. In de gevangenis moest hij direct kiezen: de Waalsdorpervlakte, vaste executieplaats voor opgepakte verzetsleden, of Auschwitz. Hij koos voor het laatste en overleefde de oorlog, ternauwernood. Hij woog 35 kilo bij zijn bevrijding. Met zoveel anderen greep hij na de oorlog zijn kansen in een nieuw, naar langdurige vrede toegroeiend West-Europa. Het overgrote deel van de bevolking in de landen die nu de Europese Unie vormen, emancipeerde en verwierf zijn deel van de welvaart. Afgelopen decennium is die welvaartsemancipatie fors afgenomen. Dat komt vooral door globalisering waar veel mensen alleen de nadelen van hebben ondervonden. Het is niet geheel toevallig dat het percentage Front National-stemmers bij de Franse presidentsverkiezingen overeenstemt met het geschatte percentage achterblijvers in de Franse samenleving. Ondertussen is het wel schrijnend dat juist die kwetsbare groep uit de Franse maatschappij zijn stem geeft aan politici die een programma hebben dat gebrek aan kansen alleen maar vergroot. De waarschuwing kan niet vaak genoeg gegeven worden. Populisten hebben geen plan, of ze nu in Nederland bij hun Kamer-debuut in potjeslatijn orakelen, of in Frankrijk oproepen tot vreemdelingenhaat. Het zijn tegenwoordig juist kansrijken die een programma voeren dat perspectief biedt. Het was bemoedigend dat premier Mark Rutte op de avond van de verkiezingen als streven uitsprak dat mensen die de afgelopen vier jaar nadeel hebben ondervonden van het gevoerde sociaaleconomische beleid, er nu als eersten weer bij moeten worden gehaald. Eenvoudig wordt het niet voor Emmanuel Macron van nieuwkomer En Marche!, die het in de tweede ronde tegen FN-kandidaat Marine Le Pen opneemt. Hij heeft geen politieke basis in de assemblée, en vooral niet in de regio’s — juist daar is de verdeeldheid in Frankrijk het grootst. De zwaargehavende gevestigde partijen zullen hun verlies moeten nemen en bereidheid tonen tot 'Verantwortungsethik' – de gezamenlijke verantwoordelijkheid centraal stellen en onderlinge ideologische verschillen opzij schuiven. Een oproep om in de tweede ronde op Macron te stemmen is onvoldoende. Een langduriger samenwerking tussen partijen met uiteenlopende maatschappijvisies is nodig om de Franse samenleving zich weer te laten herstellen, binnen een sterke EU. Het plan van een Verenigd Europa was vrede en welvaart. Onze ouders hebben daar hard voor gewerkt, nadat hun ouders twee oorlogen niet of nauwelijks overleefd hadden. De Fransen hebben nu de kans dat Europa goed en gezamenlijk voort te zetten. Niet lang over nadenken, dunkt mij.
Gepost op 18 april 2017

Christelijke waarden

In de week voor Pasen waren twee koptische kerken in Egypte doelwit van zelfmoordterroristen. Meer dan veertig Egyptische kopten kwamen om. Een zoveelste bewijs van de druk waaronder de christelijke minderheid in het Midden-Oosten leeft: een in hoog tempo steeds kleiner wordende minderheid. Zo is meer dan de helft van de Syrische christenen het land ontvlucht. In Irak is minder dan de helft over van de 1,3 miljoen christenen die er in 2003 nog leefden. In Mosoel werden christenen door de bezetters van Da-iesj (Isis) voor de keuze gesteld: sterven door het zwaard of bekeren tot de islam. Terugkeer naar inmiddels van Da-iesj bevrijde steden is vrijwel zinloos: huizen zijn geplunderd, bezittingen geroofd. Maar er heerst ook grote angst onder gevluchte christenen dat er na Al Qaida en Da-iesj in hun thuisgebied in de nabije toekomst opnieuw een fundamentalistisch terreurbewind kan komen. Zo wordt het verdwijnen van het christendom uit deze regio onvermijdelijk. Het is een tragedie binnen een tragedie, die er bovendien toe leidt dat de pluriformiteit van gemeenschappen in het Midden-Oosten verder afneemt en daar een almaar eenkenniger regio ontstaat, die zich steeds meer van de wereld afkeert: een monocultuur is per definitie gesloten. De patriarch van de Egyptische koptische kerk besloot vanwege de aanslagen de festiviteiten rondom Pasen drastisch in te perken. Dat is een tamelijk wrang gegeven in een week waarin het debat in Nederland ging over de vraag of moslimkinderen op school verplicht mee moeten doen met de christelijke riten en symboliek van het lijdensverhaal. Dat lijkt mij niet: het opdringen van religieuze gewoonten is strijdig met onze grondwet. Iets anders is of we onze cultureel-religieuze achtergronden mogen manifesteren. Dat lijkt mij wel: een Nederlandse school viert dus Pasen, en geeft aan de leerlingen ook uitleg over de betekenis ervan. Dat paaseieren kennelijk tot verstopeitjes omgedoopt worden door de detailhandel is truttig, inderdaad, maar het bevestigt ook het gebrek aan connotatie dat veel Nederlanders zelf inmiddels hebben met christelijke tradities. Dat heeft niets met islamisering te maken, dat is gewoon desinteresse. Ik vind dat spijtig, niet alleen omdat ik zelf die tradities aanhang, maar vooral omdat het lijdensverhaal zoveel inzicht geeft in het menselijk falen — inzicht dat altijd van pas komt, zeker in een tijd van dreigende nucleaire tests. Die desinteresse is misschien ook de voedingsbodem voor de laconieke wijze waarop Marine Le Pen de grote betrokkenheid van de Fransen bij de grootschalige deportatie van joden via het Vélodrome d'hiver ontkende. Wie de christelijke waarden omarmt, zeurt niet alleen over de benaming van paaseieren, maar weet ook wat berouw en boetedoening is. En dat vóór alles elke onderdrukte minderheid — kopten of joden — onze barmhartigheid verdient.
Gepost op 11 april 2017

Digitale leerschool

Mijn elektrische auto geeft eens in de zoveel tijd aan dat er weer een software-update is. Het wordt steeds gekker wat die auto kan, maar met rijden heeft het niets te maken. Vanmorgen was het weer zo ver. Nu vertelt de navigatie me wat de openingstijden zijn van mijn favoriete winkels wanneer ik hun adressen invoer — uiteraard met stemherkenning, een vorige software-update. Wat heb ik eraan? Het voegt weinig anders toe dan dat mijn brein steeds verder afstompt. Doorgeschoten digitalisering, daar heb ik niets mee. Ondertussen klagen leraren van basisscholen terecht dat ze langzamerhand omkomen in de administratieve rompslomp. Volgsystemen, evaluaties, toetsmappen: het zijn bureaucratische verplichtingen die ieder leuk beroep — onderwijzer! — tot een grauwe brij kunnen maken. De ondersteuning van leraren neemt tegelijkertijd steeds meer af, en geld voor efficiënter computeronderwijs is er niet. Hier knelt overduidelijk iets. Goed basisonderwijs is cruciaal voor de toekomst. Het zorgt er voor dat kinderen het voortgezet onderwijs betreden met een grondig pakket aan kennis en vaardigheden. Leerkrachten moeten aandacht geven aan kinderen en hun leerprestaties. Ik weet nog precies hoe juffrouw Emmy ons in 1967 de spreekwoorden leerde. Wat ze met onze toetsmappen van destijds heeft gedaan — bestonden die toen al? — boeit mij na al die jaren niet. Het moet toch niet moeilijk zijn voor de whizz-kids die nu het algoritme maken dat mijn auto blind naar een restaurant laat rijden zodra ik het woord 'snacken' inspreek, om een digitaal nakijksysteem te ontwerpen dat werkt op spraakherkenning? Of een app te bedenken waarin een leerkracht met eenvoudige keuzetoetsen de hele schooladministratie kan invoeren? In de krant van zaterdag stond een opiniestuk van de directeur van een door het ministerie van Onderwijs ingesteld instituut dat naar eigen zeggen het debat over wetenschap moet stimuleren. Zij hield een interessant pleidooi voor een digitaliseringsakkoord tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheid. Een mooi betoog, maar het ontbeerde een oproep aan de overheid om via openbare aanbesteding een digitale vergemakkelijkingsslag te realiseren in het basisonderwijs, zodat leerkrachten zich meer op het onderwijs zelf kunnen richten. En ik miste een uitnodiging aan het IT-bedrijfsleven om zijn algoritmische kennis nu eens in te zetten voor het primaire onderwijs: wie weet om zo een nieuwe generatie computergenieën te creëren. Dat we leraren met zoveel administratietijd belasten is een verkeerd soort logica. Wij moeten onderwijzers hun vak teruggeven en daarmee de kinderen hun onderwijzers. Dan leren ze gewoon grondig aardrijkskunde en hoofdrekenen. En hebben ze later niet zo'n suffe digitale auto nodig die uitrekent hoever rijden het is naar de dichtstbijzijnde boekwinkel of, zo U wilt, e-reader-verkoper.
Gepost op 04 april 2017

Starring Amsterdam

Zondag was Ajax-Feyenoord. De Rotterdammers zijn dit jaar sterk — respect! — maar het is sinds mijn jeugd een zekerheidje dat de Amsterdammers die wedstrijd thuis winnen. Thuiswedstrijden, daar zijn Amsterdammers goed in. Dat zie je bij de ontvangst van buitenlandse gasten. Onlangs verscheen het fotoboek Starring Amsterdam, waarin wereldsterren uit de jaren zestig en zeventig stralend over de grachten banjeren of vrolijk bij de entree van het Stedelijk Museum staan. Amsterdam, altijd goede sfeer. Daarom was ik verbaasd te lezen dat de hoofdstad gedaald is op de lijst van aantrekkelijke financiële centra. De rangschikking heet de Global Financial Centres index en is een optelsom van vijf criteria: zakelijke omgeving, ontwikkeling van de financiële sector, infrastructuur, menselijk kapitaal en reputatie en algemeen welzijn zoals tolerantie naar andere bevolkingsgroepen. De index komt van een Londense consultancy-firma en lijkt nogal anglocentrisch — dertien Engelstalige steden in de top twintig — maar is wel serieus en consistent opgezet. Steden als Parijs en Tel Aviv gaan onze hoofdstad voor. Amsterdam staat slechts veertigste. 'Vanwege de onzekerheid', aldus de makers van de Global Financial Centre Index, zonder die onzekerheid toe te lichten. Vreemd. Veertig jaar geleden had ik het gesnapt. Toen ik in Amsterdam ging studeren was de stad een slecht onderhouden ratjetoe, waar een monsterlijke parkeergarage mocht worden gebouwd op een kade aan de rand van de grachtengordel, en hele straten in negentiende eeuwse wijken verkommerden en nare flatwijken vervuilden aan de stadsranden. Lelijk mocht. Er was weinig innovatie, daarentegen nog veel armoede. Sindsdien is de stad overal gerenoveerd, vernieuwende architectuur gaf lege plekken schitterend aanzicht en de creatieve bedrijvigheid is ongekend. Er zijn steeds meer FinTech bedrijven in Amsterdam, waaronder enkele wereldspelers. De bevolking in de stad en omstreken is overwegend goed opgeleid en kosmopoliet — er is veel tolerantie jegens elkaar. En toch daalt Amsterdam op die index. Zou het zijn omdat hier strengere beloningsregels gelden voor de financiële sector dan in de rest van de EU? Het maakte het voor Lloyds eenvoudiger om Brussel te kiezen voor een nieuw hoofdkantoor. Ik denk dat het belangrijk is dat de nieuwgekozen Tweede Kamer binnenkort het oordeel over de financiële sector herijkt. Die sector heeft de afgelopen tien jaar — in Nederland en daarbuiten — hard gewerkt aan het aanscherpen van de eigen mores en strenge regimes aanvaard op het gebied van controle van beloningen. Het is goed om weer vooruit te kijken en een nieuw groeiklimaat voor deze sector te creëren. Met behoud van strenge regels, maar ook een 'level playing field' ten opzichte van andere EU-lidstaten. Amsterdam sterker maken. Ook in uitwedstrijden, zoals in de vergelijking met andere steden.
Gepost op 28 maart 2017

Ambachtelijk denken

Mijn vrouw kwam uit een protestants gezin. Toen zij als meisje van zestien besloot om niet langer wekelijks ter kerke te gaan zei mijn schoonvader: ‘Mijn kind, waar denk je te horen wat je daar op zondag hoort?’ Ze haalde het later vaak aan, tegenover de kinderen en mij, met een zekere spijt in haar stem, want inderdaad: waar hoor je nog wat je vroeger in de preek hoorde? Ik moest eraan denken omdat ik een briljant stuk tegenkwam in de New Yorker, één van die gedrukte media waartegen president Trump zo tekeer gaat. Waar lezen we dat soort artikelen nog, dacht ik, als straks alles wat nu onafhankelijk is, net als in WO II gelijkgeschakeld is? Als denkers en wetenschappers in het openbare debat zijn vervangen door vloggers en facebookgoeroe’s? De auteur, Adam Gopnik, bespreekt een aantal recente boeken van schrijvers wier denkrichting door hem wordt samengevat als anti-liberalistisch. Het is een stroming die veronderstelt dat de kloof tussen elite en volk onoverbrugbaar zal worden, dat we de aarde rücksichtslos opgebruiken en dat robots straks mensen overbodig maken, tot in de kleinste dingen. Gopnik is uiterst kritisch over deze richting. Zo wijst hij er op dat er tegenwoordig weliswaar computers zijn die zelf haiku’s kunnen maken, maar dat zijn nog altijd haiku’s die geprogrammeerd zijn naar bestaande, ooit door de mensheid bedachte haiku’s. Hij ziet — net als ik — voor de mens altijd een rol weggelegd, als een zich voortontwikkelend wezen. Met echte, onvoorspelbare denkhersentjes, zou mijn vader dan weer gezegd hebben. Het meest interessant wordt Gopniks betoog, waar hij Joel Mokyr aanhaalt. Deze economische geschiedkundige onderzoekt in zijn boek A Culture of Growth waarom de Europeanen eeuwenlang zo’n dominantie hadden in verovering, ontdekking en wetenschap, in vergelijking met de Aziatische volkeren. De reden daarvoor is volgens Mokyr dat in Europa altijd de denkers en de ambachtslieden met elkaar communiceerden — in debat en anderszins — en ook in samenwerking verbonden waren. Daartegenover hadden de Mandarijnen tijdens de Chinese verlichting weinig of geen contact met de handwerklieden in hun samenleving: de vonk van hun denkrevolutie sloeg dus niet over. Mokyr toont ook aan dat het overgrote deel van de mannen die de wetenschappelijke en industriële revolutie mogelijk maakten niet in Oxford of Cambridge hadden gestudeerd, maar alleen ambachtelijk waren opgeleid. Het benadrukt andermaal het belang van ambachtelijke kennis om een beschaving vooruitgang te bieden. Gopnik hekelt denkers — en leiders — die zich blind staren op maatschappelijke tendensen en geloven dat wat zij nu doen, voor de eeuwigheid is. Daar is eenvoudig wat aan te doen. Wat vaker te rade gaan bij intelligente bronnen, anders dan uw eigen.
Gepost op 20 maart 2017

Johnny B. Goode

Alweer een Dead Rock Hero. De vraag is langzamerhand: kan ik daar nog over schrijven? Bowie, Prince, Leonard Cohen, George Michael — het is verdrietig, maar kun je daar telkens aandacht aan besteden? De krant moet tenslotte keuzes maken.

Chuck Berry was natuurlijk wel een enorme held, vooral omdat hij een genre groot maakte: de echte, ongepolijste rock ’n roll, ontstaan in Afro-Amerikaanse gemeenschappen. Elvis Presley is er een brave Hillbilly bij vergeleken. Het houdt mij erg bezig, die dode rockers.

En alles is boeiender dan het na-analyseren van de verkiezingen. Mijn analyse was dat we de verkiezingsprogramma’s zo weinig getest hebben op steekhoudende toekomstvisies. Ik had zo graag gezien dat we veel meer Big Data tegen de voornemens van onze politieke leiders hadden neergelegd, en ze daaraan getoetst hadden. En dan gaat het niet alleen om zulke wezensvragen als wie de best haalbare energietransitie voorstelt.

Neem een veel kleiner onderwerp als het gezin: nauwelijks door debatinterviewers opgepakt tijdens de verkiezingen. Ik hoor ze al smalen. ‘Het gezin zegt U, meneer? Wat is dat nu weer voor thema?’

Ok. Dan deze. Een recent onderzoek van het Amerikaanse Brookings Institution laat zien dat kinderen die opgroeien in een gezin waarin ouders getrouwd zijn in vergelijking met kinderen die opgroeien bij een alleenstaande ouder, meer kans hebben om een goede middelbare schoolopleiding te voltooien en zeker om een academische opleiding af te ronden. Dat laatste geldt zelfs bij vergelijking tussen kinderen met een welgestelde alleenstaande moeder, en kinderen uit een welgesteld tweeoudergezin.

Ik ben graag bereid om het huwelijk in de Nederlandse context te vervangen door stabiel samenwonen, maar dan nog toont het Brookings-onderzoek twee dingen aan. Allereerst, het loont de moeite om het laten opgroeien van kinderen in gezinsverband te stimuleren en bijvoorbeeld op de woningmarkt in te zetten op meer gezinswoningen. Maar tegelijkertijd mag dat niet ten koste gaan van de positie van alleenstaande ouders. Integendeel, het tweede punt dat het onderzoek laat zien is dat die ‘single parents’ juist extra steun moeten krijgen bij het begeleiden van hun kinderen in het onderwijs.

Ik ben er tegen om mensen de keuze te ontnemen om kinderen alleenstaand op te voeden. Voor veel ouders is dat echter geen keuze maar een voldongen feit — en daar moet de overheid in het belang van die kinderen bijspringen.

Een kind van een alleenstaande ouder moet net zo ver kunnen komen als ieder ander kind. Chuck Berry bezingt er één, in zijn beroemdste liedje: Johnny B. Goode. Diens alleenstaande moeder stimuleert hem om de wereld te veroveren met zijn gitaar en dat deed hij. Nou ja, Chuck Berry dan.