Ferdinand Grapperhaus is hoogleraar Europees arbeidsrecht, Partner bij Allen & Overy, vader van vier, voetballiefhebber, ...

Lees meer

Gepost op 26 oktober 2017

Ik vertrek

Tot mijn spijt heb ik nieuws — hoe u het waardeert mag u zelf bepalen. Laat ik om het voorzichtig te brengen een kleine omweg nemen. Het enige reality-tv-programma waar ik naar uitkijk is een uitzending waarin een koppel wordt gevolgd dat in het buitenland een hotel of zoiets gaat beginnen. Daarbij laten ze hun hele hebben en houwen achter zich, nemen hun spaargeld resoluut op en beginnen van de grond af aan opnieuw, meestal in een mediterraan land, waar ze, het koppel dus, de taal niet van machtig zijn. Ik Vertrek, zo heet de serie. Hij loopt al jarenlang, want kennelijk zijn er heel wat mensen die besluiten om hun ideaal zonder voorbehoud gestalte te gaan geven. Mij spreekt dat enorm aan, dat je de durf hebt om zoiets te gaan doen. Natuurlijk, je moet je wel rekenschap hebben gegeven van de mogelijkheden en onmogelijkheden, en het mag geen kansloos avontuur zijn. Maar toch: wie niet waagt... Zelf ben ik nooit zo’n waaghals geweest, en ik zal het niet worden ook. Maar soms, heel soms, moet je bereid zijn om je zekerheden op te geven en je ideaal na te streven. Voor mij is dat ideaal een rechtvaardig, maar ook een veilig Nederland, voor iedereen die de Nederlandse grondwet onderschrijft. Ik laat daarvoor dus alles uit mijn werkende leven achter — ook u, lezer, na bijna tweehonderd wekelijkse columns — om te gaan werken op het ministerie dat voor elke jurist de bakermat van de rechtsstaat is. Het is bitter dat ik dat niet meer kan delen met mijn vrouw, degene die u ook een beetje leerde kennen, maar er niet meer is. Maar ik doe dat wel met mijn kinderen die nogal eens als aanleiding figureerden voor een bespiegeling over iets totaal anders dan recht. Het is wel spijtig dat ik niet verder kan schrijven voor het FD: ik had nog een leuke metafoor op stapel met Strawberry Fields Forever van Lennon-McCartney, inzake de kwestie van genetische ontwikkeling in de landbouw. Of anders een parallel tussen Alfred Hitchcock, de regisseur die altijd even in zijn eigen films te zien was, en de bijna onzichtbare hand van een goede hoofdredacteur. Niet dus. Toen ik met deze column begon werd mij gezegd dat de stukken van de krant vooral een rating — dat is net zoiets als die cijfers bij het kunstschaatsen — kregen op basis van de internetomloop. Ik vrees dat ik daar niet goed uit tevoorschijn kom; ik had soms weken achtereen dat er een soort digitaal stiltegebied om mijn stukken leek te zijn aangelegd. Misschien was ik in mijn bijdrages weleens te emotioneel, zoals toen MH17 was neergehaald en ik ’s avonds laat de reactie van de Russische president op televisie zag. Of toen ik de Amerikaanse Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump een gehandicapte journalist belachelijk zag maken. Vanaf nu kan dat niet meer, en dat is ook goed: bij een voorbeeldfunctie horen ook bescheiden emoties. Hoe u over mij denkt zal ik in overwegende mate niet weten, maar ik ga u, lezer, missen. Zelden was er een zo grote stimulans om een kwestie bondig en direct te bepleiten. Mijn promotor zei mij ooit, na inlevering van weer een te lang hoofdstuk van mijn beoogde proefschrift: je taalgebruik zou wat geserreerder kunnen. Thuis zocht ik het woord meteen op in Van Dale, maar pas toen ik columns ging schrijven voor het FD kon ik ermee uit de voeten. Hoe vaak heb ik niet gezien dat rechters tijdens mijn pleidooi gingen knikkebollen! De limiet van 430 woorden in de krant liet u als lezer niet de tijd voor zelfs maar een gaapgebaar. Dat was door de jaren heen ook te danken aan de redacteuren die mijn stukjes vaak net de finishing touch gaven die bij vaste brievenschrijvers tot enthousiasme leidden. Afijn, enzovoorts, zou mijn oude patroon uit de advocatuur nu zeggen, ten teken dat ook dit betoog wel mooi geweest is. Kortom: ik maak er een eind aan. Ik vertrek. Het ga u goed, beste lezer, Ferdinand Grapperhaus
Gepost op 17 oktober 2017

In moderne tijd ieder zijn eigen Moai

In mijn telefoon staan nog steeds foto’s van mijn korte verblijf in 2014 op Rapa Nui, Paaseiland. Twee telefoontoestellen verder, maar toch, deze foto’s hou ik altijd bij de hand.
Het was tijdens een wereldreis. Mijn vrouw had zich bij mij gevoegd, via Sydney en Santiago kwamen we op Paaseiland aan, en werden drie dagen lang door een plaatselijke gids met onverholen trots langs de beroemde beelden, de Moai, geleid.
Zij staat op de foto’s met een wapperende bos haar, en de zonnebril van een Amerikaanse filmster uit de jaren zeventig. Op andere foto’s zie je haar met ernstige blik naar de gigantische Moai kijken, alsof ze naar hun wijze adviezen luistert.
Het zijn enorme stenen koppen, met een veel te klein lijf eronder, soms met een groteske stenen reuzenhoed. Het heeft ondanks alles iets ontroerends: zoveel moeite om ze naar de kust te rollen en in rijen naast elkaar te zetten – om later van de katholieke missionarissen een donderpreek te krijgen dat het heidens is om de beeltenis van je overleden stamoudsten te aanbidden.
Vorige week was mijn vrouw een jaar geleden overleden, en drong het besef bij mij door dat ik haar dus ook al een jaar niet heb gesproken of echt gezien. Zo zijn die foto’s – en veel andere van haar die ik bij me draag – inmiddels mijn persoonlijke Moai. Zonder dat ik een beeld uit de rotsen heb hoeven houwen en vervolgens een heuvel op heb moeten duwen, zoals de bewoners van Rapa Nui moesten doen.
Het is de zegen van deze tijd dat we elk ogenblik in ons bestaan meteen kunnen vereeuwigen en bij ons houden.

Het kan ook een vloek zijn, wanneer anderen met ons gedigitaliseerde archief aan de haal gaan. Het is niet voor niets dat tegenwoordig één op de drie congressen over cybersecurity lijkt te gaan. Wat mij bij discussies over veilig databeheer opvalt, is dat we nog geen duidelijke normen hebben ontwikkeld waar onze consumptie van de data van een ander die gelekt zijn aan zou moeten worden getoetst.
Zulke normen zouden alleen al behulpzaam zijn bij het tegengaan van de verspreiding van 'alternative facts' — wat, als ik het goed begrijp, gewoon leugens zijn. Maar het is ook nuttig om beschadiging van iemands privésfeer te voorkomen.
De Tataren waren verplicht om hun naam op hun pijlen te zetten, zodat de getroffene altijd wist van wie ze afkomstig waren. Het moet technologisch mogelijk zijn om transparantie op internet en sociale media tweezijdig te maken, en meteen te weten wie de bron is van (mis)informatie.
Maar vooral: opdat we onze hoogstpersoonlijke Moai voor onszelf kunnen houden.

Gepost op 17 oktober 2017

Nobel streven met boeken

Ik wilde voor de krant ook eens verslaggever zijn, dus ging ik afgelopen vrijdag naar de presentatie door de letterkundige en historicus Frits Van Oostrom van zijn boek Nobel Streven, over het bijzondere leven van ridder Jan van Brederode.
Een boekpresentatie is leuk, kan ik u vertellen. De uitgever etaleert zijn trots over de auteur, en de auteur houdt een geïnspireerd verhaal over zijn motivatie en het scheppingsproces, waarna hij het eerste exemplaar aanbiedt aan een bekende Nederlander. Dit keer was dat Jort Kelder.
Ik had hem niet direct geassocieerd met middeleeuwse geschiedenis, maar hijzelf ook niet, zoals hij in zijn dankwoord zei — hetgeen dan weer ontwapenend werkt: geen overbodige luxe bij een boek dat gaat over de nogal wrede en gewelddadige middeleeuwers.
Zo beschrijft Van Oostrom al op een van de eerste bladzijden hoe de roomskoning Willem II op weg in het opstandige Friesland met zijn paard door het ijs zakt, waarna een horde Friezen hem, in plaats van hem uit het water te halen, ter plaatse doodknuppelt. Andere tijden.

Het volgende onderdeel van een boekpresentatie is dat men ter plekke, met ‘hard cash’ dan wel pinpas een boek kan aanschaffen. Zonder korting, want dat zou in strijd zijn met de vaste boekenprijs. Hierna schrijft de auteur een opdracht en kan men na nog wat kaasblokjes en sancerre genuttigd te hebben huiswaarts.
Ik vind het een mooi ritueel, zo’n boekpresentatie, zoals ook een echt, heuselijk in druk verschenen boek een juweel is, zeker met de moderne druktechnieken.
Nobel Streven, zo viel mij bij eerste lezing op, heeft bijvoorbeeld prachtige kleurenreproducties van middeleeuwse documenten op de bladzijden, dus niet in een apart katern.
Dat is toch net even iets fijner dan een wit-blauwig digitaal scherm, waarop je weliswaar je tekst kunt swipen, en de illustraties kunt uitvergroten, maar geen papier ruikt, en niet volledig ziet wat de auteur tot stand heeft gebracht. Ik ben ongetwijfeld over-nostalgisch. Zo kocht ik vorig jaar een boek met alle LP-hoezen van het Engelse ontwerp-bureau Hipgnosis uit de jaren zeventig, zoals How Dare You van 10cc, en Animals van Pink Floyd.
Er is hoop voor het boek. In 2016 ging de boekverkoop met 1,6 % omhoog. Het aantal verkochte e-boeken stagneerde, bleef op 6% staan.
Dan het boek zelf: al op de eerste bladzijden viel ik om van verbazing toen ik las dat een gangbare stroming in de Middeleeuwen overtuigd was dat wij, Hollanders, afstammen van de Trojanen, de eeuwige verliezers in het oude Griekenland. Misschien winnen we daarom nooit het WK-mannenvoetbal. Zo kan een boek een genoegen zijn om te lezen — en om vast te houden. Een nobel streven, lijkt me, om dat zo te houden.

Gepost op 03 oktober 2017

Homorechten in vrije val

Natuurstormen en bekvechten met Noord-Korea leiden de aandacht af van de zorgelijke anti-gelijke-rechten-politiek van de huidige Amerikaanse regering. De handelwijze rondom de rellen in Charlottesville was een recent voorbeeld. Maar het gaat om meer dan raciale tegenstellingen. Ook homorechten lijken in gevaar, blijkt uit recente ontwikkelingen in een langlopende zaak voor de Amerikaanse rechter. Een zweefduikinstructeur zou — in 2010! — een eerste sprong maken met een cursiste, die daarbij stevig aan hem werd vastgemaakt. Om de vrouw gerust te stellen zei hij dat hij homo was. Nu weet ik niet of dat voor mij de meest kalmerende opmerking zou zijn geweest bij een eerste sprong in het diepe vanaf een bergwand, maar de bedoeling was goed. Die mevrouw vond van niet. Ze beklaagde zich bij haar man, die bij de werkgever een officiële klacht indiende, waarna die de instructeur, ontsloeg — omdat hij had gezegd dat hij homo was. De instructeur diende vervolgens een claim in tegen zijn werkgever wegens discriminatie op grond van seksuele gerichtheid: geen reden voor veel aandacht. Naar Nederlands recht — te danken aan de EU-wetgever, mooi! — zou de handelwijze van de werkgever onrechtmatig zijn. Het alarmerende zit erin dat de regering-Trump zich nu in deze zaak mengde. Het Amerikaanse Ministerie van Justitie heeft zich aan de zijde van de werkgever gevoegd met een ondersteunend processtuk waarvan de centrale stelling is dat de Civil Rights Act discriminatie door werkgevers op grond van geslacht verbiedt maar niet discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Werkgevers mogen, aldus de vertegenwoordiger van het ministerie van justitie, bij beslissingen over een werknemer diens seksuele oriëntatie meewegen. Bizar genoeg heeft de tot de overheid behorende Equal Employment Opportunity Commission zich nu eveneens in de procedure gevoegd, maar dan aan de zijde van de werknemer. Ach, zeggen weldenkende mensen soms tegen me, moet dat nou, al die nadruk op gelijkheid? We zijn toch immers verschillend? Gelijke rechten zijn er wanneer in vergelijkbare omstandigheden tussen personen of groepen geen sprake is van een relevant verschil. Dan zijn we hetzelfde en is er geen reden voor enige vorm van onderscheid, of beter: discriminatie. Er is geen reden waarom een werkgever de seksuele gerichtheid van een werknemer zou meewegen op het werk. En er is geen reden voor mensen om zo overdreven te reageren als iemand een keer iets zegt wat niet relevant is — of eigenlijk: iedereen mag eens een foute of seksistische opmerking maken zonder meteen ontslagen te worden. Ik zou bijna zeggen: zelfs als zo’n opmerking verkeerd valt, maar dat zou die mevrouw dan ook weer verkeerd kunnen opvatten, zo vlak voor haar eerste zweefduik.
Gepost op 26 september 2017

Zeitraffer im Bundesrepublik

Heinrich Heine schreef: als de wereld vergaat, ga ik naar Holland; daar gebeurt alles vijftig jaar later. Het kan verkeren, zou Bredero gezegd hebben. In Duitsland zijn ze er nu ook achter wat het betekent als één op de zeven kiezers zich aan het populisme uitlevert. Duitse vrienden en kennissen die ik spreek zijn geschokt; hoe heeft dit kunnen gebeuren?, stamelen ze. Voor ons is het bijna saai, zo’n verkiezingsuitslag. Wij zijn het al gewend dat de traditionele zeurpieten die achterin de touringcar nooit iets goed vinden wat de reisleiding organiseert, inmiddels een aanzienlijk deel van de passagiers mee hebben. Hier geldt, in ons land en in Duitsland: veel mensen lopen niet achter de extreemrechtse beweging aan omdat ze geloven in de ideeën die daar gehuldigd worden, maar omdat ze ervan overtuigd zijn geraakt dat ze niet meer mee mogen doen. Het gaat in Duitsland om een mengeling van dezelfde factoren die in ons land leidden tot de opkomst van partijen die zich afzetten tegen fundamenten en structuren van de samenleving, zonder zelf met een alternatief te komen — iets wat ondanks de naam ook geldt voor Alternative für Deutschland (AfD). Een grote groep mensen is achtergebleven ten opzichte van de rest. Daarnaast vond een maatschappelijke omschakeling van normen en waarden plaats, die voor veel gewone mensen niet goed bij te houden en daarom niet meer acceptabel is. En dan is er het feit dat ook in Duitsland de succesvolle cohorten veel te laat de onvrede en achterliggende problemen serieus zijn gaan nemen. Het lijkt daarmee alsof Duitsland in een soort time lapse — in Hoogduits: Zeitraffer — terecht is gekomen: er was sprake van een opeenvolging van geleidelijke veranderingen in de Duitse maatschappij maar ook in de acceptatiegraad van die veranderingen. Door deze verkiezingsuitslag lijkt die omwenteling ineens versneld afgespeeld te zijn. De onvrede gaat niet vanzelf weg. Het probleem is dat de AfD geen nazi-partij is, bestaand uit criminelen en putsjisten. De partij wordt voornamelijk geleid door derderangs politici en gefrustreerde burgers. En het is voor een samenleving misschien wel schadelijker dat racistische of naar racisme neigende denkbeelden, intolerantie en vergoelijking van geweld langzaam aan worden toegelaten in het alledaags bestaan, en ook gelegitimeerd rondzingen in de landelijke politiek. Voor tegenkracht zijn daarom alle democratisch gezinde partijen nodig, ook de SPD. Één ding is onontkoombaar: de Duitse politiek moet, in lijn met de kernboodschap van onze troonrede, dringend prioriteit geven aan de burgers die de laatste jaren niet mee konden komen met de maatschappelijke ontwikkelingen, ter voorkoming van een nieuw soort Duitse verdeeldheid. 'The times they are a changin’, aldus Bob Dylan dan maar.
Gepost op 19 september 2017

Culturele tegenbeweging

Er circuleert een filmpje van president Trump bij een of andere bijeenkomst van militairen. Hij wordt aangekondigd door zijn echtgenote Melania, komt vanaf de zijkant aanlopen, schudt haar de hand (?) en duwt haar vervolgens resoluut met zijn hand richting de coulissen, hoorbaar fluisterend: 'You can sit down'. Geen stimulerend, maar een denigrerend duwtje in de rug. Het lijkt een metafoor voor Boris Johnson die een soort patriottisch essay heeft geschreven in de Daily Telegraph, waarin hij de zegeningen van een brexit nog eens opsomt — daarmee Theresa May opzij duwend, kort voordat zij een belangrijke rede moet houden in Florence. Johnson’s betoog is zwak, zijn sporadische becijferingen zijn twijfelachtig. Maar de portée van zijn verhaal, het patriottisme, speelt in op de grootste succesfactor voor populisten: ongenoegen over de sterk veranderde maatschappij. In een uitgebreid onderzoek uit 2016 naar populistische bewegingen in West-Europa stelden twee Harvard-onderzoekers vast dat de belangrijkste reden voor de opkomst van populisme niet de economische bestaansonzekerheid is, maar de sociaal-culturele bedreiging die mensen voelen. De onderzoekers, Ronald Inglehart en Pippa Norris, definiëren dat als 'cultural backlash': de culturele tegenbeweging, die zich afzet tegen het maatschappelijke veranderingsproces van de afgelopen decennia. In de vooruitstrevende naoorlogse West-Europese samenlevingen is er, aldus Ingleheart en Norris, sprake geweest van een omslagpunt, waarna grote cohorten van de bevolking niet langer meekonden met veranderingen in bevolkingssamenstelling, inrichting van de maatschappij, maar ook transformatie in waarden en normen. Zij haakten volledig af en wendden zich tot politieke richtingen die niet anders deden dan pleiten voor terugkeer naar een of ander 'vroeger'. Het bevestigt de constatering in ander onderzoek dat veel mensen al jarenlang structureel niet meedoen in de West-Europese samenleving. Of het nu gaat om zorg, onderwijs, wonen, werk, digitalisering en dus ook cultuurverandering. Alle goede voornemens over de participatiemaatschappij ten spijt heeft het nu demissionaire kabinet die tendens in Nederland niet kunnen keren. Daar zijn goede redenen voor aan te voeren, van crisisbestrijding tot aanpak van zorgkosten, maar het is daarom des te meer een taak van de overheid voor de komende jaren. Het is dringend nodig om grote groepen mensen opnieuw bij de samenleving te betrekken, zodat we ons democratische stelsel weer kunnen inzetten voor werkelijke issues in plaats van irreële nostalgie. Ik put hoop uit het feit dat premier Rutte op de verkiezingsavond in maart zei dat de komende jaren vooral de mensen die de afgelopen jaren niet profiteerden van het overheidsbeleid aandacht moeten krijgen. Dat toont betrokkenheid en werkt verbindend, totaal anders dan het 'you can sit down' van de populist.
Gepost op 12 september 2017

Klimaatcynisme

De verwoesting die orkaan Irma heeft aangericht op Sint Maarten confronteert ons Koninkrijk ineens met een andere, mogelijke consequentie van klimaatverandering. Ik zeg mogelijke, want er is nog geen consensus over de gedachte dat de toenemende intensiteit van orkanen veroorzaakt wordt door klimaatverandering. Zeker is dat het oceaanwater geleidelijk warmer wordt. En omdat het verschil tussen warme zeewatertemperatuur en koelere luchttemperatuur tot een tropische storm kan leiden, lijkt het niet onlogisch dat een steeds warmere oceaan tot heviger stormen gaat leiden. Het wetenschappelijk klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC) heeft een toename van orkaanintensiteit berekend van 2% tot 11% tegen het einde van deze eeuw. Ook de hoeveelheid neerslag zal volgens IPCC toenemen, met 10% tot 15%. Alleen al de onzekerheid over oorzakelijk verband tussen klimaatverandering en orkaankracht moet voldoende aanleiding zijn voor grondig nader onderzoek. Maar ik vrees dat zo'n onderzoek in het huidige politieke klimaat niet op veel politieke steun kan rekenen. Dit zijn tijden van het klimaatcynisme. Voorbeelden? In Canada ligt het gehucht Churchill in het verre noorden van de deelstaat Manitoba, aan de Hudson Bay. Churchill had een decennia oude diepwaterhaven, die in vroeger tijden gebruikt werd voor overslag van graan. Vanaf de jaren tachtig werd de haven obsoleet. Totdat een Amerikaanse spoorwegbouwer de Canadese overheid in 1997 suggereerde om een nieuwe goederenspoorweg naar Churchill aan te laten leggen: door de klimaatverandering zou de noordelijke doorgang spoedig bevaarbaar worden voor containerschepen. De spoorlijn kwam er, dankzij klimaatcynisme. Maar nu grijpt het klimaatnoodlot zelf in: de spoorlijn was deels gebouwd op permafrost, die dit voorjaar wegspoelde na hevige regenstormen — de spoorlijn meesleurend. Bewoners van Churchill proberen nu wanhopig de overheid te bewegen de spoorlijn te herstellen, maar dat is volstrekt onrendabel. Zoals senator Ted Cruz het ook onrendabel vond om in 2012 oostelijke staten van de VS die door een orkaan waren getroffen van extra herstelgelden te laten voorzien door de federale overheid. Hij dringt nu zelf aan op hulp voor 'zijn' Texas. Het kan klimaatcynisch verkeren. Een laatste: de Amerikaanse tweedehandsautohandel verwacht een enorme opleving, omdat door orkaan Harvey maar liefst 500.000 auto's verloren zijn gegaan in de regio Houston. Ik denk terug aan een rasopportunist uit onze studententijd die zei: op de dag des oordeels heb ik een levendige handel in verhuur van roeibootjes. Ik word er bijna zelf cynisch van. Maar er is hoop. Op 13 september houdt het Europees Parlement een debat over de Staat van de Unie. Als ze in Brussel een verwoestende impact willen hebben, zouden ze eens met een groot klimaatplan moeten komen.
Gepost op 05 september 2017

La Rentrée

In Frankrijk is het vandaag La Rentrée, de dag waarop iedereen na de vakantiemaand augustus weer aan het werk gaat. Nou ja, behalve die drie miljoen Franse werklozen dan, 9,5% van de beroepsbevolking. Emmanuel Macron heeft vanaf vandaag misschien wel gewoon zijn Entrée. Hij moet nu echt laten zien dat hij wat kan en werk maken van zijn belofte om de Franse arbeidsmarkt grondig te hervormen. De Franse vakbonden hebben aangekondigd zich schrap te zullen zetten. Nu vertegenwoordigen die qua leden maar 8% van de werkende bevolking, maar omdat de vakbonden een belangrijke rol spelen in de uitvoering van de sociale zekerheid en de totstandkoming van cao's hebben ze desondanks een stevige machtspositie. Het valt voor de Franse economie, maar ook voor de EU, te hopen dat Macron erin slaagt om zijn hervormingsagenda erdoor te krijgen, maar daarvoor is vooreerst nodig dat de vakbonden het inzicht verwerven dat zonder vernieuwing van het nationale arbeidsrecht de Franse concurrentiepositie verder in het slop raakt. Dat zou te meer zonde zijn omdat Frankrijk, net als andere continentale economieën, vanaf 2019 de kans krijgt om te profiteren van het wegvallen van het Verenigd Koninkrijk uit de EU. Overigens is er in Nederland geen aanleiding om minzaam te doen over de Franse arbeidsmarktimpasse. Want ook de polder had zijn zo langzamerhand bijna traditionele rentree: het overleg tussen werkgevers en vakbonden is weer eens vastgelopen. Hier speelt iets fascinerends, wat de Amerikanen een hold-up-situatie noemen: twee partijen houden elkaar onder schot, en niemand durft zich te verroeren: geen handreiking, maar ook geen schot. Er gebeurt niets. De vakbonden zeggen tegen de werkgevers: wij willen dat jullie meehelpen om misbruikconstructies op de arbeidsmarkt uit de wereld te helpen. De werkgevers zeggen: help de ontslagregels te verbeteren, dan komen er geen misbruikconstructies meer voor. En er gebeurt niets. De vakbonden zijn mij lief, maar ik begrijp hier de werkgevers toch wel een beetje: als een systeem — het Nederlandse ontslagrecht — onder water loopt, kun je niet verwachten dat alleen de andere partij zijn dijk dicht. Aan de andere kant, ook de werkgevers zijn mij lief, maar ik begrijp hier evenzeer de vakbonden wel een beetje: je kunt niet van de ander verwachten dat hij zomaar aanneemt dat een nieuw stelsel vanzelf ook zijn lekkages oplost. Wederzijds commitment is het enige dat helpt: allebei tegelijk je pistool op de grond leggen. Een nieuw stelsel met meer evenwicht tussen flex en vast en een strenge afgrenzing van misbruikconstructies in het arbeidsrecht. Dat is de oplossing. Helaas. De polder zet zichzelf onder water en laat daarmee een Rentree in het Regeerakkoord naar de bodem zinken.
Gepost op 29 augustus 2017

De moeder centraal

Een week lang ben ik als alleenstaande ouder met mijn kinderen en schoonkinderen weg, naar Bandol, de streek met de meeste zonne-uren van Frankrijk. Alles heeft dit jaar een eerste keer, ook nu. De gesprekken gaan veel over wie er niet bij is, de moeder, over gemis en verdriet, maar ook mooie jeugdherinneringen. Je weet dat je echt een oude baas bent wanneer je kinderen over hún jeugdherinneringen beginnen. Die van mij krijgen al mythische status: nog even, en het zijn oude legendes voor de generatie die hierna komt. Niet alle gesprekken gaan over vroeger, van mijn kinderen leer ik over Lil Kleine en Game of Thrones, maar vooral ook veel over wat ons te wachten staat, aan Big Data en gevolgen daarvan: de voorgeprogrammeerde maatschappij. Wanneer de digitale technologie ons steeds meer in de richting duwt van de grootste gemene delers van ieders primaire voorkeuren, worden we op den duur ons eigen algoritme. We worden bij wijze van spreken voorgeprogrammeerd geboren, een chip implanteren is niet meer nodig. In Black Mirror, een Engelse fictie-serie over allerlei monsterlijke vormen van digitale absorptie, worden de gasten op het huwelijk van een aanstaand bruidspaar geselecteerd op hun internet-rating, qua intelligentie, sportiviteit, uiterlijk en afkomst. Alleen de negens en tienen mogen komen. Het kan niet meer dan een paar jaar duren of ik krijg mijn eerste mails dat ik niet door de digitale feestselectie ben bij mijn eigen familie en vrienden. Een onaangenaam vooruitzicht. Yuval Harari legt in Sapiens uit dat en waarom de mens bij uitstek een sociaal wezen is. De heupen van onze moeders versmalden gedurende de evolutie als gevolg van het rechtop lopen, en omdat tegelijkertijd onze hersens zich ontwikkelden en daarmee onze hoofden groter werden, moesten onze homo sapiens moeders relatief steeds vroeger baren. Maar juist daardoor waren mensenbabys veel minder voldragen. En waar een jong katje al na een paar weken op eigen benen kan staan en op verkenning kan, blijven kinderen van de homo sapiens veel langer bij de moeder, met als voordeel dat ze sociaal veel sterker worden. Tenzij we dus van kindsaf in de voorgeprogrammeerde werkelijkheid terechtkomen. Volgens mijn kinderen is mijn generatie beter in het onthouden van dingen, die van hen is beter in het toepassen. Maar beide generaties zijn nog wel sociaal grootgebracht door de kleinste omgeving, het gezin — en niet door voorgeselecteerde keuzeknoppen. Moeder-kind, aan het begin, bij de oorsprong, dat moet onaangetast spontaan en sociaal blijven. Met een familie die er omheen staat, zoals Harrari het beschrijft. It takes a tribe to raise a human. Maar de moeder staat centraal.
Gepost op 23 augustus 2017

Wel of geen Wilhelmus

Na ‘t zuur zal ik ontvangen van God, mijn Heer, het zoet. Dat zei onze natuurkundeleraar altijd als we een zwaar proefwerk van hem kregen. Het citaat komt uit het Wilhelmus. Ik ken ons volkslied zeker niet uit het hoofd, maar enig benul van waar het over gaat heb ik wel, en dat heeft me nooit echt kwaad gedaan. Misschien is het iets te veel van het goede om kinderen het volkslied volledig te laten leren, maar dat elk schoolkind een aantal basisbeginselen van onze cultuur en geschiedenis wordt uitgelegd lijkt me een goed idee. De politiek-correcte spot die daarover vorige week losbarstte is huichelachtig. We moeten kennelijk wel een nationale identiteit hebben als het om tolerantie en begrip gaat, of anders wel de tweehonderd meter sprint bij de vrouwen — maar duiding van de oorsprong van Nederland is blijkbaar niet oké. Het kan geen bezwaar zijn dat de tekst van het Wilhelmus in belangrijke mate mede een protestantse geloofsbelijdenis inhoudt. Die tekst laat namelijk zien waar bepaalde aspecten die kenmerkend zijn voor de Nederlandse samenleving vandaan komen. Ook een katholiek als ik verdraagt dat. Een aardig voorbeeld: de botte directheid die Nederlanders zo kenmerkt. Lees eens na in hoeveel coupletten van het Wilhelmus de Spaanse koning voor rotte vis wordt uitgemaakt: daar verwerf je heden ten dage geen tijdelijke zetel in de Veiligheidsraad mee. Het resulteert ook eeuwen later nog steeds in een ondiplomatiek leiderschap, zowel nationaal als internationaal, zoals een in 2016 in de Harvard Business Review gepubliceerd onderzoek constateerde. Het hoort bij onze volksaard en wie niet in het bestaan van volksaarden gelooft, moet nog maar eens Outliers van Malcolm Gladwell lezen, over hoe bepalend geografie en nationale leefomgeving zijn voor eigenschappen van een volk. Iets anders is onze verdraagzaamheid. Het lijkt wat paradoxaal in het licht van de genoemde directheid, maar onze oorsprong ligt toch echt in geloof, hoop en liefde — 1 Korintiërs 13 — voor diegenen die na het Wilhelmus nog iets anders willen lezen. En van die drie zegt de bijbel, is de liefde de grootste. Ofwel, aldus de Heilige Schrift zelve, het maakt uiteindelijk niet uit of je in iets anders gelooft of niet gelooft, het gaat er om elkaar te verdragen. Het zou een les moeten zijn die veel Syriëgangers een reis had kunnen besparen. De studie van het Wilhelmus maakt het ook gemakkelijker om te bepalen hoe we met onze geschiedenis omgaan en bijvoorbeeld kritisch afstand durven te nemen van ons recente koloniale verleden. Want het gaat erom, zo zegt ons volkslied, de tirannie te verdrijven die ons ons hart doorwondt. Geen slechte boodschap, in een tijd van doelbewuste aanslagen door onverdraagzamen.